Privatisering

 

De laatste jaren is privatisering een toverwoord in de nederlandse politiek. Het idee dat “de markt” veel van de problemen van staatsbedrijven zou oplossen doet het aan het binnenhof al jaren goed. Logge overheidsinstanties veranderen onder druk van klanten, zucht naar winst en aandeelhouders in slanke efficiënte firma’s. Of dit helemaal waar is durf ik niet te zeggen; er zijn succesvolle voorbeelden (TPG; wel tamelijk monopolistisch nog) maar ook drama’s zoals de energieleveranciers, die organisatorisch dieper dan ooit het moeras in zakten. Van dit soort privatisering worden alleen organisatieadviesbureau’s (de nieuwe wereldtijdschriftverkopers) gelukkig.Een twijfelgeval qua succesvol privatiseren is de NS. Mijn grootste bezwaar is dat de NS weliswaar geprivatiseerd is, maar zich wel aan alle mogelijke spelregels moet houden. Het lijkt mij moeilijk om aan de ene kant een bedrijf rendabel te maken, en aan de andere kant gebonden te zijn aan strakke regels met betrekking tot prijs en niveau van dienstverlening. “De markt” moet beslissen wat de prijs van een kaartje kan zijn. Bovendien moet de markt bepalen of een lijntje tussen Emmen en Zwolle vier keer per uur moet gaan, of misschien wel ieder uur.
Elk argument om de dienstverlening op te krikken is niets anders dan een argument tégen privatisering van de NS. De vraag die we ons zo langzamerhand zouden moeten stellen is of de spoorwegen niet gewoon weer een staat-aangelegenheid moeten zijn. Immers de doelen van staat (een reëel, betaalbaar en betrouwbaar alternatief voor de auto) zijn niet gelijk aan die van de (private) NS. Grappig om te zien dat Melanie Schultz van Hagen hier nu al weer voor onder vuur ligt.